De in 1998 op 100-jarige leeftijd in Heerlen overleden Eugène Quanjel werkte als bouwkundige bij Staatsmijn Maurits, waar hij in 1962 met pensioen ging. Als creatieve en buitengewoon getalenteerde kunstenaar heeft hij zijn stempel gedrukt op kunstwerken in Geleen, Heerlen, Sittard, Hoensbroek, Stein en menig dorp in vooral de twee Zuid-Limburgse mijnstreken. 

In november 2008 verscheen bij Stichting Museum Expositie Geleen (MEG) onder redactie van Harry Strijkers het rijk geïllustreerde boek “Schilder, glaskunstenaar, beeldhouwer en ontwerper” met een overzicht van het werk van Quanjel. Na het artikel van enige weken geleden waarin Quanjels glaskunst centraal stond, vandaag deel 2 over zijn “Oranjeboom”. 

Een Oranjeboom is het symbool van onze vrijheid en verbondenheid met het Oranjehuis. De boom van Eugène Quanjel in Geleen kent een opmerkelijke geschiedenis. In 1938 raakte de plaatselijke bevolking tijdens een optocht ter gelegenheid van de geboorte van prinses Beatrix onder de indruk van de artistiek gesmede Oranjeboom. Het kunstwerk van Eugène Quanjel sprak de Geleense bevolking dermate aan dat werd besloten deze Oranjeboom een vaste plek te geven. Na de feestelijkheden kreeg de kunstuiting zijn plaats in het centrum, precies op de plek waar de Markt en Bernhardstraat elkaar ontmoeten.

“In de oorlog werd de Oranjeboom in ons land een steen des aanstoots.”, stelt Harry Strijkers vast. “Zowel NSB als Duitse SS-soldaten vergrepen zich eraan en vernietigden in 1943 dit symbool van vaderlandsliefde, want dat was de Oranjeboom in de tussentijd geworden. Drie jaar eerder, nog geen twee maanden na de Duitse inval, hadden ook in Geleen twee NSB-ers al geprobeerd de smeedijzeren boom met een zuurstofbrander af te branden. Enkele takken van de boom waren toen afgebrand waarna boze inwoners in opstand kwamen en de Oranjeboom kon worden hersteld. In hetzelfde jaar ’43 is het oranje getint kunstwerk op last van de gemeente en onder druk van de NSB verwijderd. De reden? De boom zou een plek van samenkomst kunnen zijn van koningsgezinden.” 

In 1950 vierde Geleen feest en kon de driekleur worden uitgehangen omdat de gemeente de Oranjeboom liet herplaatsen op het plantsoentje bij de Markt en Bernhardstraat. De pret zou niet lang duren, vijftien jaar slechts. Het idyllisch plantsoentje werd van de kaart weggevaagd in 1965. De boom belandde in het gemeentelijk lager en raakte in verval. Niemand keek er nog naar om. Later bleek dat het kunstwerk van de aardbodem verdwenen was. 

In de aanloop naar de viering van ‘Geleen vijftig jaar bevrijd’ gingen stemmen op de Oranjeboom weer terug te plaatsen. Heemkundevereniging Geleen informeerde bij de dan hoogbejaarde kunstenaar of hij het ontwerp van de boom nog had. Dat was niet het geval. Quanjel besloot het ontwerp opnieuw te tekenen. Met verbluffend resultaat. Strijkers: “Wonder boven wonder was het nieuwe ontwerp een exacte kopie van de oorspronkelijke boom. Hoe is dit mogelijk, vroegen insiders zich af. Het ontwerp moet in 1938 ook een verpletterende indruk op Quanjel zelf hebben gemaakt, anders had hij de tekening van het plan onmogelijk zo lang kunnen onthouden. Verenigingen en instanties ontfermden zich in het kader van ‘Geleen vijftig jaar bevrijd’ over het project met als gangmaker de stichting Museum en Expositie Geleen.” Aan de hand van het ontwerp van Quanjel werd het kunstwerk vervaardigd door Pijpleiding en Constructiebedrijf Ouwerkerk. 

De nieuwe boom met zijn gestileerde vorm is gemaakt van gegalvaniseerd metaal met oranje geverfde bollen. Met zijn gestileerde vormen doet het object denken aan een molecuul model of een zwevend atoom. Het oogt futuristisch. Deze indruk wordt versterkt door het gegalvaniseerd metaal. De takken worden naar buiten toe almaar dunner en verbeelden daarmee aansprekend het begrip groei. Opvallend zijn de van beneden naar boven steeds kleiner wordende oranje bollen. De kunstenaar heeft hierdoor een groter perspectief gesuggereerd.

Op Bevrijdingsdag 5 mei 1994 werd de Oranjeboom in het bijzijn van de 96-jarige kunstenaar en zijn echtgenote door burgemeester Lurvink en een kleindochter van Eugène Quanjel van de laatste bollen voorzien. De Oranjeboom was weer compleet en fleurt sindsdien bescheiden zonder veel aandachttrekkerij het Emmaplein op. De omwonenden werd gevraagd om het kunstwerk te adopteren.

Harry Strijkers: “Verbazingwekkend is nog steeds de moderniteit. Nu nog valt hij in goede zin uit de toon en als hij al een datering mee mag krijgen dan toch die van de jaren zestig en niet van 1938. De abstracte verwerking van het onderwerp en de keuze van het materiaal waren niet meteen voor de hand liggend, ook niet voor Quanjel zelf. Het merendeel van wat hij schiep op ruimtelijk gebied is figuratief en uitgevoerd in traditionele materialen. De Oranjeboom bleef wat dat betreft een uitzondering. Wellicht zag de kunstenaar niet zijn eigen kwaliteit, allicht was ook het in eerste instantie tijdelijke karakter van het beeld een reden voor deze verrassende beeldende vrijheid.”

Van alle ruimtelijke werken die Eugène Quanjel in de loop van zijn carrière maakte is de Oranjeboom misschien wel het opvallendst, meent Strijkers. “Niet gemaakt van klei of steen maar gelast, pronkt het nu nog steeds op een verlaten pleintje in Geleen. Het pronkt daar met zijn vooruitstrevendheid.” 

Tekst Koos Snijders

Kunstwerk met een bewogen geschiedenis. Foto Double Eye | Ivo Goessens