Het haar kleurt zilvergrijs, de benen zijn wat strammer maar het hart is nog altijd groen en opgetogen over wat de natuur hem biedt: in zijn biologische tuin, in de lucht boven zijn huis in Schipperskerk en bij de ‘Kingbaek’ zo vaak door hem bezocht en bezongen in een van zijn vele gedichten. ,,Ik wil een signaal afgeven”.

Door Ray Simoen

‘Gaef ós ’t awt normaal weer trök,

Vriej in gaon en staon väör ós alle,

In ein dekaor van leefde en gelök,

Wie samezeen of óm bie te kalle’.

Een strofe uit het gedicht ‘Gaef ós’. Het klinkt als een gebed opdat er weer snel betere tijden komen van ‘bourgondisch laeve, mit sport en kultuur es ammezasie, óm hoag te klinke biej ‘ne gaeve, mit döbbel-tóngige zank es akseptasie’. 

Het is van de laatste gedichten, die Guus Kitzen schreef. Niet omdat het hem aan inspiratie ontbreekt, de dichtbundels op tafel spreken voor zich, evenals de dikke klappers vol losse gedichten ernaast. Maar de 86 jarige dichter uit Schipperskerk is de laatste tijd erg bezorgd, en vindt de huidige tijd ‘te warrig’. ,,Ik maak me zorgen om mijn kinderen en kleinkinderen. Het zijn zulke onrustbarende dagen momenteel. Ik kan er moeilijk grip op krijgen. En dat maakt dat ik nu amper nog een gedicht schrijf.” Het valt hem zichtbaar zwaar, want sinds hij in 2008 zijn eerste bundel Aon de aw Meule publiceerde zijn er weinig dagen voorbij gegaan dat hij geen gedicht schreef over wat hem opviel, ontroerde of aan het denken zette.

Woordkunstenaar

Een laatbloeier noemt hij zichzelf.  Bescheidenheid en drukke werkzaamheden als maatschappelijke betrokken inwoner van Schipperskerk, wethouder en raadslid maken dat hij pas laat erkent over schrijftalent te beschikken. ,,Ach, ik schreef wel eens leuke verhaaltjes of stukjes voor jubilea en verjaardagen maar dat vond ik genoeg. Ik fungeer het liefst op de achtergrond,” zegt hij met een glimlach. Maar dat verandert wanneer hij de kwalijke gevolgen van de ruilverkaveling en het rooien van de hoogstamboomgaarden in zijn omgeving ziet. ,,Dat was funest voor ons mooie landschap.” De  aantasting van de kleinschaligheid en het bijzondere karakter van het landschap van zijn jeugd raken hem diep. Hij woont met zijn ouders en broers en zussen ,,e bietje van God verlaote, n paar hoeze, de res jao allemaol velje”, zo verhaalt het gedicht ‘Mien Awwershoes’. ,,Toen ik dat alles zag verdwijnen besloot ik om mijn herinneringen aan mijn jeugd en de omgeving, waarin ik opgegroeid was op te gaan schrijven. Ook om jongeren te laten zien hoe het vroeger was en hoe je  met weinig ook gelukkig en tevreden kon zijn.” 

 Paul Weelen van uitgeverij TIC  moedigt hem aan om zijn gedichten niet in een lade thuis te laten liggen maar ze uit te geven. ,,Na de fantastische presentatie van mijn eerste bundel bij Agnes Knops in het kerkje van Schipperskerk zei Ton Brounts, een taalkundige uit Grevenbicht tegen me:  ‘je bent een woordkunstenaar zonder dat je het zelf weet.” Verlegen en glunderend als een kind vertelt hij het. ,,En  daarna ben ik blijven schrijven. Eerder had ik daar niet de tijd voor. We waren met zeven kinderen thuis, ik ben de oudste.” Vader Kitzen werkt bovengronds op de mijn. Het is geen vetpot thuis. Elke cent moet een paar keer omgedraaid worden. Gelukkig is er de tuin, die groente en fruit levert, en zijn er kippen voor de eieren en wat vlees. Hij kan goed leren zodat het schoolhoofd tegen zijn  vader zegt: ,,Guus moet naar de Mulo”.  ,,Maar mijn vader zei: ‘De Mulo? Ja, als jij dat betaalt’. Dat was heel anders dan nu, nu kunnen ze worden wat ze willen.”

Wethouder

 Met toestemming van een bevriende ‘baas op de mijn’ mag hij met 17,5 jaar de mijn in,  als steenhouwer. ,,Zwaar, en erg gevaarlijk voor een jonge jongen als ik.  Ik was bang om naast die lawaaierige  transportbanden te moeten werken, één verkeerde beweging, en je was dood of zwaar verminkt. Daarnaast ging ik vier keer per week  op de fiets naar de avondschool voor het diploma ‘vaktekenen’.  Het geld vergoedde veel, ik was blij mijn steentje bij te kunnen dragen aan ons gezin”. Opgelucht is hij wanneer hij in dienst kan. Hij beseft wel dat de militaire dienstplicht van hem en zijn  twee broers een fikse financiële aderlating inhouden voor zijn ouders. ,,De mijn betaalde beter”.  Na zijn diensttijd ontpopt hij zich tot  een ,, bekwaam” lasser en schopt het tot voorman. ,,Totdat de politiek kwam, in  1977”. Hij voelt zich geroepen om de dorpen Obbicht, Papenhoven en Grevenbicht een stem te geven in de fusiegemeente Born. ,,Deze dorpen waren bang hun identiteit te verliezen wanneer  ze bij het ‘grotere’ Born kwamen. De Maaskanters zijn van nature wat conservatiever en beducht voor het verlies van hun eigen dorpskarakter.” Hij wordt meteen ook wethouder in de nieuwe gemeente Born en , een soort bruggenbouwer tussen  de  Bornse cultuur en die van de Maaskant. ,,Van 1978 tot 1996 heb ik in de gemeenteraad van Born gezeten, eerst als wethouder, later als eenmansfractie in de oppositie, om wat spektakel te maken. Maar in 1996 vond ik het genoeg geweest.”

Verwondering

Ombudsman wordt hij. Voor de schippers van zijn dorp, die het vaak lastig hebben met de papieren rompslomp van de bureaucraten aan de wal. En voor de rest van het dorp dat geconfronteerd wordt met grootscheepse en langdurige ontgrondingen in hun achtertuin, het Trierveld. Met woorden in discussies met de grindgravers van het Consortium Grensmaas en met gedichten komt hij op voor de bedreigde natuur en het behoud van het landschappelijk karakter van ‘zijn’ Maasvallei en Trierveld: ,, ’T Trierveld geit oetgebreid oppe sjöp/me mót nog aan nuuj gedaantes wènne/doe gluifs dien ouge nee es me der löp/ is sins kort gaar naet mië trök te kenne/.  En vooral de Kingbeek, die van Nattenhoven als een sierlijk, door bomen omzoomd, lint naar zijn monding in de Maas bij Illikhoven loopt, gaat hem aan het hart. ,,Baek van hoag-landsjappelike waerd/väör ös dörper ein wichtige laevesaor/Mer  róndjóm dat prachtig stökske aerd/sjoelt nao iëwe ouch ein groat gevaor/Door t kenaal bie de brónne te verbreije/wèt mee neet waat de toekóms brungk/Blif zie waal intak nao grave of nao heije/ein terechte zörg die ónger väöle hungk/” Want, zo houdt hij iedereen die het kan horen en lezen voor,  ,,de hookstein van ós bestaon is de natuur/ dat verdutsj zie ós in sjoanheod stilte en ras/ (…).

In mooie berijmde dichtregels en met het synoniemenboek bij de hand getuigt hij keer op keer van zijn verwondering over de schoonheid van  ‘de hookstein van ós bestaan’. Nu eens dicht hij over het gezang van een nachtegaal, een gespleten en met sneeuw bedekte wilg of een mug dan weer over de ‘vogeltrèk’ of ,,deze sluipende slak, in onthaasten sterk, vindt rust en gemak, hier in Schipperskerk”. Gevleid voelt hij zich  dat in en om Schipperskerk gedichten van hem geplaatst zijn, er zelfs een ‘paedje’ zijn naam draagt en zijn gedichten al jaren achtereen opgenomen worden in de provinciale reek reeks Platbook. Maar daar gaat het de bejaarde dichter niet om. ,,Ik wil een signaal afgeven, bijvoorbeeld dat we ook de stilte moeten weten te waarderen”. Hij pak er een vel met een gedicht bij en leest met sonore stem. ,, Wo vertraoge dien traeje, omdat stilte dich nump, kèns te zegke mit raeje, dat me effekes bekump, Wo se de ouge kèns sjlete, en maogs loestere nao niks, doa krigs te’n röstig gewete, wie deper das se d’rin kiks”. Zijn grote bekommernis blijft  toch de natuur. ,,Gelukkig zie ik dat veel jongeren tegenwoordig ook die zorg om de natuur hebben.”

Guus Kitzen, met op de achtergrond de door hem veelvuldig beschreven Kingbeek.
Foto Double Eye | Ivo Goessens