Hoewel Peter van Deursen, Wim Kallen en ik al langer vrienden van elkaar zijn, bleven onze jeugdjaren tot op heden onbesproken. Daar wilden we wat aan gaan doen. En wat is dan leuker om vroege herinneringen op te halen en te delen. 

In dit verslag vertel ik over Nijmegen, waar ik gewoond en gestudeerd heb.

Het was vrijdag 20 augustus 2021, toen ik vroeg in de morgen opstond. De vogels waren al wakker. De huizen sliepen nog.

Een uurtje later zaten we in de trein: Peter van Deursen, Wim Kallen, Emma en ik. (Emma is meegegaan omdat we elkaar in Nijmegen hebben leren kennen).

Na iets meer dan anderhalf uur ‘treinen’ rolden we Centraal Station Nijmegen binnen. 

Nijmegen is de oudste stad van Nederland. Ik zeg het hardop, wetende dat ik er last mee kan krijgen, want Maastricht is een geduchte concurrent.

Als je een studentenstad een tijdje uit het oog bent verloren, is het altijd weer even wennen aan die fietsers. Ze zijn onverbrekelijk verbonden met het studentenleven. Kleinstedelingen, zoals wij uit Sittard, maakten dan ook herhaaldelijk sprongetjes naar links of naar rechts om die vermetelijke pedaalridders te ontwijken. 

Zo’n grote stad heeft ook iets anoniems en chaotisch, waar wìj niemand kennen en niemand ὸns kent. Tegelijkertijd lijkt de stad ook weer vertrouwd, omdat de herinneringen je langzaam maar zeker in de tijd terugplaatsen.

Ik had het plan opgevat om een bezoek te brengen aan de Van Spaenstraat en de Burghardt van den Berghstraat, waar ik in de jaren zeventig op kamers heb gewoond. 

Vooruit, op naar de Van Spaenstraat. Dat was even zoeken. Waar lag die straat ook alweer? Nergens een aanduiding. Zelfs enkele buurtbewoners haalden hun schouders op. 

Ik moest denken aan de wijk waar ik zelf woon. Ook daar wonen mensen die voor de buurt niet bestaan. Hun huis bestaat alleen maar voor hen. Zoiets bestaat echt.

Terug naar het verslag. Wim was de moedigste. ‘Gewoon aanbellen.’ 

Een vriendelijke dame maakte open en na enkele inleidende woorden nodigde ze ons uit om een kijkje in haar huis te komen nemen. In de ruime woonkamer herkende ik de rozetten aan het hoge plafond. Hier had ik gewoond. Even voelde ik me weer die student uit 1971 die zijn eerste kamer betrok. 

De dame vertelde over de omvangrijke restauratie van de woning, maar ik luisterde slechts met een half oor. Wat had me ertoe gebracht om naar Nijmegen te gaan? Waarom wilde ik rechten gaan studeren? Dat was toen niet helemaal duidelijk en dat is het nog steeds niet. 

Kom we gaan verder. Naar de Burghardt van den Berghstraat. Het verwaarloosde studentenhuis van weleer was een stadsvilla geworden. 

Op de foto biedt Emma aan de huiseigenaar een bloem aan, die we onderweg hadden geplukt. De eigenaar was zo verbouwereerd, dat hij vergat om zijn schoenen aan te trekken. 

Al gauw ontstond een gesprek, en binnen de kortste keren stonden we in de woning.

Eenmaal binnen, begon opnieuw een film af te draaien. 

In dit huis woonden in 1974 negen studenten. Ik herinnerde me het stel dat op de benedenverdieping woonde. Het meisje studeerde geschiedenis en haar vriend, die in de steun liep, verzamelde conservenblikken. Hij toog elke dag naar een buurtsuper om zijn verzameling aan te vullen. Na verloop van tijd, toen de collectie uit zijn jasje was gegroeid, besloot hij het overschot van de hand te doen. Het hele huis smulde van bonensalade met tonijn, kip in kerriesaus, linzenstoofschotel en ga zo maar door. 

Hier valt nog het een en ander over te zeggen. Misschien een volgende keer.

Tenslotte zijn we moe van het wandelen op het terras voor De Waagh in Nijmegen neergestreken, wachtend op een stadsgids.

Ik liet mijn gedachten indalen. Naar datgene wat voorbij is, en waarvan ik weet dat het nooit meer terug zal komen, want het leven heeft me gemaakt wie ik ben. Wie ik nù ben.

Tekst Niek Bremen