Geruime tijd gaf ik Nederlandse les aan middelbare scholieren in Höngen, gelegen net over de grens in Duitsland. Het was voor de opgeschoten Duitse jeugd een kennismaking met het Nederlands op vrijwillige basis en dát scheelde een slok op een borrel. De sfeer was ontspannen. Ganz locker. 

De weg ernaartoe op de fiets voelde als een onderbreking van een drukke werkdag. Eenmaal over de grens met de gemeente Selfkant werd alles anders. Eerst door Tüddern langs drukke benzinestations, dan door het open veld trappen, richting Höngen. De autoweg die nu het landschap scherp doorsnijdt was er niet. De boeren deden hun plicht en bewerkten ijverig het land. Fazanten vlogen bij naderend onheil lawaaierig op (deze mooie vogels zie ik steeds minder, tot mijn groot verdriet). 

Natuurlijk probeerden we in de klas na een aantal lessen al Nederlands te spreken. En mijn vragen waren: Hoe heet je vader-moeder-zus-broer? Wat is je favoriete hobby? Hadden de scholieren elk jaar met elkaar afgesproken hetzelfde antwoord te geven? Dat lijkt me sterk… ik denk dat hun standaardantwoord rechtstreeks en eerlijk uit hun hart kwam. Op mijn vraag wat is je hobby, werd heel vaak geantwoord: ‘Traktor fahren!’ ‘Hoe zeg je dat in het Nederlands?’ vroeg ik dan. ‘Op de tractor rijden, meneer!’ 

Inderdaad wat wil een mens nog meer? Op een tractor kruipen en dan door het veld tuffen. Koeien water geven met een watervat op de kar. Mest verspreiden met een weidesleep. Zalig…dat tractor rijden. Waar lag dat nou aan vroeg ik me af toen ik onlangs bij Eisparadies Penners op een van de twee afgedankte tractoren in de tuin kroop. Die tractoren zijn voor kinderen bedoeld, maar wat wil je? Toen ik op het ijzeren kuipstoeltje zat, wist ik meteen waar de fascinatie lag. Het is vooral de vrolijke zit achter het stuur! Dat in combinatie met de bereikbaarheid van de koppeling- en rempedalen en de schakelpook. Stoer hoor zo’n lange schakelpook tussen je benen. De puber van 16 die op een tractor in opdracht van zijn vader naar het weiland rijdt, kwam weer bij me boven. 

De herinneringen kwamen in veelvoud: Het voorgloeien van de oude dieselmotor. De zwarte rookwolken die het ‘beestje’ uit 1956 uitstootte na een aarzelende start. De hond die op de kar sprong, klaar voor een  gezamenlijk ritje naar het weiland of de akker. Het moeizaam achteruit manoeuvreren met tractor en kar om de lege waterbak te bereiken. Het in de schuur rondgaan met de vetspuit om via daarvoor bestemde nippels draaiende onderdelen te smeren. De aftak-as, belangrijk wanneer de kunstmeststrooier werd aangekoppeld.

Er kan geen tractor voorbijgaan of ik kijk hem na. Weemoedig? Nee. Jaloers? Ja, een beetje. De huidige tractoren zijn zo goed als onbereikbaar. Dichte cabines, hoog op de wielen. Grote trekkracht. Het zijn de tanks van de buitengebieden én het Haagse Binnenhof. Rijden op een oud beestje dat lijkt mij wel wat. Een zondags ritje als een stoer kunststukje met terugwerkende kracht.

Tekst en foto Wim Kallen