Of ik het niet koud had, vroeg ze terwijl ze heen en weer schoof over het bankje. Met die wind, het was frisjes. En dan had ik ook nog eens geen jas aan. Nee hoor, zei ik, ik had het niet zo snel koud. En het ochtendzonnetje scheen, kijk maar, voel maar, daar komt ‘ie, het wordt een hele mooie dag, dus die jas zou ik niet missen.
Dan is het goed, zei ze, slechts matig gerustgesteld. Nee, dan is het goed.
Het was één van de laatste keren dat ik mijn oma mee kon nemen voor een tripje buiten de muren van het verzorgingstehuis, en ik wist het. Haar fysieke gesteldheid ging achteruit, maar de dikke mist in haar hoofd breidde zich zorgwekkend snel uit. Dus ik haalde haar op, vouwde haar rollator in de kofferbak, takelde haar in de auto en reed naar Kasteel Limbricht. Daar aangekomen gingen we niet over de brug naar binnen, maar liepen langs het water naar de achterkant van het kasteel. We namen plaats op een bankje en keken uit over het blinkende water van de gracht. Ik wees mijn oma op een eendje dat onder water dook, zijn kont een paar seconden strak richting de hemel. Toen hij weer bovenkwam keek hij in onze richting, op zijn kop zat een pluk kroos.
‘God,’ zei mijn oma verbaasd, ‘dat is ook wat. Zo’n dingetje, zo’n beestje. In dat koude water ook. En jij? Heb jij het niet koud? Met die wind? Het is frisjes, hoor.’
Of ze zich nog herinnerde dat we vroeger elke week naar de eendjes gingen, niet hier maar in het vijvertje vlakbij het oude huis, waar ze nog met opa woonde, durfde ik niet te vragen. De alzheimer vrat haar vroeger weg en liet haar verdwalen in het nu. Daarom bracht ik wat onderwerpen ter sprake die zich beperkten tot het onmiddellijk zichtbare. Een klein meisje dat de grootste moeite had haar plastic poppenwagen voort te bewegen over het grind. Een man die zijn hond aan de rand van het water liet drinken. De dikke oude bomen om ons heen, en de groene bladeren ver boven onze hoofden die de mensen beschermden tegen regen en een felle zomerzon.
Plots viel ze stil en keek me onderzoekend aan. Ze wreef over mijn bovenarmen. ‘Heb je het trouwens niet koud? Heb je geen jas? Dan krijg je van mij een mooie, nieuwe jas. Een dikke, want dat is goed tegen de kou. Goh, wat is het frisjes.’
Toon Roumen
Meer lezen? www.toonroumen.nl