Een groot gat in haar wang liep ze op toen ze als kind op een potlood viel in haar ouderlijk huis in Geleen. Ze hield er meer dan een grote pleister aan over. Al 70 jaar is Désirée van Doorne-Selken verknocht aan haar schetsboek, schildersezel en vooral het uitgebreide kleurenpalet, waarmee ze het liefst het onschuldige geluk van kinderen weergeeft. ,,Door die kinderlijke onbevangenheid te schilderen kan ik me onttrekken aan het vele verdriet in de wereld. Kinderen zijn de mensen van de toekomst.”

Door Ray Simoen

Tekeningetjes maakte ze met haar vinger op de beslagen ruiten van het huis op de hoek van de Beekhoverstraat en Nobertijnenstaat in Geleen, waar ze met haar oudere broer Rob en ouders woonde in de jaren 1950 en 1960. Van haar moeder moest ze die tekeningetjes wegvegen. Daar werden ze ramen vies van. ,,Maar als ik ze wegveegde, kon je toch nog de contouren zien van wat ik had gemaakt,” zegt de inmiddels 75 jarige Désirée van Doorne-Selken op schalkse toon.

Tekenen met een vinger op ramen of met een potlood op papier, ze deed het met ontzettend veel plezier, ook al viel ze als kind met haar wang op een potlood. ,,Een fikse wond was het”, zegt ze lachend terwijl ze over haar wang wrijft. ,,Tekenen was een uitlaatklep voor het verlegen meisje dat ik toen was.” 

Kuiken

Wanneer ze vier jaar is ziet de in Geleen bekende kunstenaar Pie Schmitz haar aan het werk en vraagt of ze naar het atelier op de zolder van de Heemkundevereniging wil komen. ,,Hij zag mijn talent.” Daar maakt ze niet veel later een houtskooltekening van een stilleven van een herenhoed met wandelstok, dat eerder het werk van een volwassen kunstenaar lijkt dan een schets van een kind. Dit ingetogen stilleven is te zien op de expositie van zo’n 48 werken van Désirée Selken in het gebouw van de Heemkundevereniging Geleen. Het is het enige werk van haar uit haar Geleense tijd. ,,Via Jean Viehoff, docent aan de Volksuniversiteit kwam ik bij schildersclub Licht en Kleur. Ik was een kuiken van 15 jaar tussen al die volwassen mannen. Maar ik heb erg veel van hen geleerd, vooral van het buiten schilderen.” Ook leert ze over haar verlegenheid heen te stappen. ,,Werken van Kunst en Kleur werden in de etalages van winkels in Geleen tentoongesteld.” De tekeningen en schilderijen die ze toen bij Kunst en Kleur maakte, heeft ze niet meer. ,,Ze zijn verdwenen of verkocht,” zegt ze met spijt in haar stem.

Haar ouders vinden het mooi dat Désirée zo graag tekent en schildert en zich thuisvoelt in de beschermde omgeving van Kunst en Kleur. ,,Ik kom uit een erg creatieve familie. Mijn opa van moederszijde was een creatieve duizendpoot, hij schilderde, schreef toneelstukken en columns in kranten en maakte muziek. Mijn moeder en tante werden opgevoed met muziek maken, tekenen en borduren. Mijn moeder, die couturekleding maakte, tekende als het ware met haar borduurnaald, ze speelde ook piano en accordeon. Mijn ouders hebben elkaar ontmoet toen mijn vader, die aannemer was, in zijn vrije tijd filmoperator was bij de Roxy bioscoop in Geleen en mijn moeder daar piano speelde bij stomme films.”

Wanneer Désirée aangeeft dat ze naar de Kunstacademie in Maastricht wil, valt dat niet goed bij haar ouders. ,,Ik wilde er dol graag heen. Maar mijn ouders, die ons erg beschermd hadden opgevoed, hadden grote moeite met de tijd van toen, hippies, de lossere moraal en de hang naar vrijheid. Ze vonden de Kunstacademie te vrij, ze vreesden dan geen controle meer over me te hebben. Ook al was ik het er niet mee eens, ik gehoorzaamde mijn ouders, ik was erg volgzaam.” Als ‘compensatie’ schaffen haar ouders schildersmateriaal voor haar aan en krijgt ze een ruimte om thuis te kunnen schilderen. 

DAF

Wanneer haar vader haar daarna inschrijft voor een mannequin-opleiding – ,,Ze zeiden dat ik al liep als een soort mannequin”- is ze aanvankelijk boos. ,,Op een catwalk lopen met alle ogen op je gericht, dat was niks voor mij, net 16 jaar, ik voelde me daar te verlegen en onzeker voor.” Maar ze zet zich over haar boosheid en verlegenheid heen. En ze merkt dat ze het werk van mannequin leuk vindt. Het geeft haar zelfbewustzijn en zelfstandigheid. ,,Ik kon het werk als mannequin mooi combineren met de opdrachten voor het maken van schilderijen, vooral portretten. Dat verdiende leuk,” zegt ze met een twinkeling in de ogen.

Haar schildersezel en tekenpotloden moet ze opbergen en ook van de catwalk moet ze afscheid neme, wanneer ze op 21 jarige leeftijd trouwt met Huub van Doorne jr en met hem gaat wonen in Deurne, toen nog een klein Brabants boerendorp, maar de thuishaven van de familie Van Doorne, de stichters van de DAF fabrieken. ,,Het buiten schilderen en mijn baan als mannequin moest ik laten schieten. In een benepen en kneuterig dorp als Deurne en in mijn erg traditionele schoonfamilie kon dat niet. Dat was erg moeilijk voor me. Ik had toen veel last van heimwee naar mijn Geleense tijd”, zegt ze zacht. Haar levensfilosofie-,,Je moet beste ervan maken, hoe lastig dat ook is. Met negatief denken schieten jij en je omgeving niks op”- helpt haar. Bovendien is ze erg gelukkig dat ze na een moeilijke periode twee kinderen krijgt. Ik wilde mijn kinderen zo goed mogelijk begeleiden. En ik wilde mijn man die in 1975 een eigen bedrijf begon, dolgraag zo veel mogelijk helpen.”

Wanneer haar gezin verhuist naar het ,,veel vrijere” Mierlo, krijgt ze de beschikking over een eigen atelier: ,, eindelijk, na 13 jaar niks kunnen schilderen”. Ze maakt veel werk maar exposeert niet. ,,Dan zou ik andere schilders, die van hun kunst moeten leven, concurrentie aandoen. Dat wilde ik niet.” Later exposeert ze af en toe om de opbrengst van haar schilderijen te kunnen schenken aan de stichting die geld inzamelt voor de ,,allerarmsten in India”. Het is de Brabantse schilder Peer van de Molengraft, die haar helpt om zich te herontdekken als schilder en portrettist, geeft ze aan. Van de Molengraft is net als zij autodidact. Hij werd wereldberoemd door zijn vele portretten van staatshoofden. Het bezorgd hem de bijnaam ‘de hofschilder van de 20 ste eeuw’. Doordat ze vaak ziek was en nogal wat operaties had moeten ondergaan kan ze moeilijk te motivatie vinden om weer te gaan schilderen. Van de Molengraft weet haar te overtuigen om haar talent weer aan te spreken. Haar schilderijen en portretten van kinderen verraden een scherp observatievermogen en een fijngevoelig vermogen voor de juist kleuren en compositie. ,,Mij gaat het om een moment of een beweging die me frappeert, en die het verhaal vertelt dat daaruit spreekt. Zoals het portret van het kind dat een kers in haar mond steekt en hem er snel weer uithaalt. Die beweging met die ondeugende blik. Dat heb ik proberen vast te leggen in mijn schilderij. Of die tweeling, die door de branding van de zee loopt. De voorzichtigheid en tegelijk de spanning van die ervaring, heel fijn is dat om dit te kunnen schilderen.” 

Troost

Kinderen schildert en portretteert ze het liefst. ,,Kinderen zijn de mensen van de toekomst. Wanneer ik hun onbevangenheid en onbezorgdheid in mooie kleuren en bewegingen kan schilderen, dan voelt dat voor mij als een tegenhanger voor het vele leed in de wereld, dat ik me vaak erg aantrek. Wanneer ik dan iets moois kan schilderen, biedt mijn atelier me veel troost. Ook ben ik erg blij en dankbaar dat ik na mijn nare gezondheidsproblemen weer kan en mag schilderen.” Verheugd is ze dat de Heemkundevereniging haar de kans heeft geboden te exposeren in ,,mijn Geleen”. ,,Prachtig om weer veel oude bekenden van vroeger te zien.” Met spanning kijkt ze uit naar de komst van haar achternichtje. ,,Ik heb haar sinds haar vierde jaar niet meer gezien. Ze brengt een foto mee van het portret dat ik van haar heb gemaakt toen ze nog klein was.” 

Foto Françoise Petersen